Mirjam*  is moeder van een peuter en heeft daarnaast een eigen praktijk als antroposofisch arts. Iedere dinsdagochtend doet ze mee met de “Vreugde van lichaamswerk”.

Zij wil graag het contact met haar lichaam versterken. Zij heeft meerdere lichamelijke klachten nu zij zwanger is en zij heeft het gevoel dat het belangrijk is om beter naar de signalen van haar lichaam te leren luisteren. Ze voelt dat dit haarzelf, maar ook haar ongeboren baby ten goede zal komen.

Op een van deze ochtenden merk ik dat ze vrij chagrijnig binnen komt. Omdat ze het contact afhoudt, ga ik er verder niet op in en blijf ik een beetje uit haar buurt.

Wanneer we tijdens de les enige tijd met ademhalingsoefeningen hebben gewerkt, komt ze opeens in de lucht met wat haar dwars lijkt te zitten. “Ik kan onmogelijk verder met deze oefening” zegt ze enigszins verwijtend, “ik word er ontzettend misselijk van”. Nu is misselijkheid natuurlijk een bekende zwangerschapskwaal. Maar de manier waarop ze het zegt en het feit dat ze al 5 maanden zwanger is, en over de eerste misselijkheids weken heen is, maakt dat ik voel dat het belangrijk is om hier dieper op in te gaan.

* Uiteraard is om redenen van privacy de naam Mirjam gefingeerd en zijn enkele gegevens aangepast om haar te kunnen garanderen dat zij niet herkend wordt.

“Wat maakt je op dit moment zo misselijk?” vraag ik. Met deze vraag lijkt ze aanvankelijk niks te kunnen. De optie dat iets haar misselijk zou kunnen maken is een bewustzijnsvraag, zij heeft het gevoel daarmee iets te moeten en dat maakt haar nog misselijker.
“O.K. zeg maar hoe misselijk je van deze vraag wordt”. Daar kan ze wel wat mee. “Ik word helemaal misselijk van die vraag”, zegt ze en het lucht haar zichtbaar op om dit te kunnen zeggen.  Ik moedig haar aan te voorschijn te komen, ook in relatie tot mij, door haar te laten uitspreken dat zij ook helemaal misselijk wordt van de ademhalingoefening die we zojuist hebben gedaan.

Ze krijgt de smaak te pakken. “Ja dat klopt” zegt ze “ik word er helemaal misselijk van om me de hele tijd zo òpen en raakbaar te voelen. Alles komt maar binnen”. En vervolgens  geeft ze een hele opsomming van alles waar ze misselijk van wordt in haar dagelijks leven. Van de stress van de maatschappij waarin ze leeft, van de drukte van de stad waarin ze woont, van de stank van het verkeer wanneer ze naar buiten gaat, van de chagrijnigheid van de mensen die ze op straat ontmoet. “Ik wil helemaal geen baby neerzetten in zo een akelige wereld ” zegt ze vervolgens zeer verontwaardigd.
“Al deze rotzooi komt allemaal ongevraagd bij mij en mijn baby binnen en daar pas ik voor. Ik heb er schoon genoeg van!”.
Ik moedig haar aan nog een paar keer te herhalen: “ik heb  er schoon genoeg van, en als ik dat zeg dan merk ik….. “en ze merkt dat ze in haar kracht staat. Het verbaast haar dat door het toelaten van deze negatieve stroom van gevoelens in haar, haar misselijkheid lijkt te zijn verdwenen.
Ik geef aan dat misselijkheid vaak het gevolg is van ingehouden boosheid en ingehouden frustratie.”Je slikt als het ware je frustratie in, en projecteert hem vervolgens uit op de buitenwereld”. Iets in haar vindt het prettig om op deze manier geconfronteerd te worden. Het maakt haar helder en nog steviger, ze voelt zich los van mij.

Vandaar uit voelt ze ruimte om de gevoelens te delen die haar de laatste tijd dwars zitten. Door haar zwangerschap ervaart ze zoveel openheid  dat ze overgevoelig is voor de invloed van haar omgeving. Ze heeft het gevoel dat ze haar baby onvoldoende kan beschermen tegen de negatieve invloeden van de maatschappij en voelt zich hiervoor buitengewoon verantwoordelijk. Daardoor wordt ze ontevreden over zichzelf. Dit zet een negatieve onderstroom van zelfverwijt, frustratie over zichzelf en over het leven in gang. Omdat ze zich meer identificeert met haar openheid en kwetsbaarheid, en veel zorg heeft voor de kwetsbaarheid van haar ongeboren baby, projecteert ze deze negatieve onderstroomgevoelens uit op de buitenwereld. Hierdoor voelt ze zich vijandig bejegend door die buitenwereld, waarvoor ze zich dus moet afschermen. Dit verklaart de afgeslotenheid waarmee ze binnenkwam.

Inmiddels staat er echter geen gesloten en chagrijnige vrouw meer voor me, maar een krachtige persoonlijkheid, die haar gevoelens van kwetsbaarheid durft te delen. Ik vraag haar contact te maken met haar lichaam en te delen hoe ze zich voelt. Ze is verbaasd over hoe open ze zich op dit moment kan voelen, zonder het idee te hebben dat ze zich moet afschermen voor haar omgeving. “Ik voel me open en gevuld met iets stevigs en omdat ik deze stevigheid voel ben ik niet bang dat ik overspoeld wordt door indrukken van buitenaf”.  Ik vraag haar hoe ze de buitenwereld nu ervaart en ook daarover is ze verbaasd. “Het is opeens een drukke wereld die goed is. Precies zoals hij is. Er is nog steeds wel een behoefte aan frisse lucht en aan rust, maar die behoefte kan bestaan en de drukke wereld kan ook bestaan. Geen van beiden hoeven weg.”

Dit brengt ons bij de vraag of ze de laatste tijd veel last heeft gehad van misselijkheid. Dat blijkt het geval te zijn. Ik adviseer haar om iedere keer als ze zich misselijk voelt, zich af te vragen of iets haar boos maakt of frustreert.  Dus om bij misselijkheid geïnteresseerd te zijn in bepaalde negatieve gevoelens. En zich te open te stellen voor deze gevoelens in plaats van ze in te slikken en weg te duwen.

“Graag” is het antwoord “want ik wil graag leren hoe ik op deze manier open kan zijn, zonder me af te hoeven schermen van de buitenwereld”. Opgewekt en opgeruimd gaat Mirjam deze ochtend naar huis.

Zie hier meer informatie over “De vreugde van lichaamswerk

* Uiteraard is om redenen van privacy de naam Mirjam gefingeerd en zijn enkele gegevens aangepast om haar te kunnen garanderen dat zij niet herkend wordt.