Over de grondeloosheid van het bestaan en vinden van grond in jezelf

Paper Coachopleiding Zijnsoriëntatie Kim Verhaar

Losser van overtuigingen en ideeën,

Van toekomst en verleden.

 Vaak met pijn in mijn buik

En de bibbers in mijn benen

 Durf ik steeds meer te leven

Op het scherpst van de snede.

Deze woorden schreef ik zo’n twee jaar geleden. Terugkijkend had ik toen nog geen idee van wat het betekend om losser te komen van overtuigingen en ideeën. Iets in mij wees me met deze woorden wel de juiste weg. De woorden waren voor mij de manifestatie van de intentie om voortaan de dingen onder ogen te zien zoals ze zijn. Dit na een hele lange periode van vluchten voor de soms pijnlijke werkelijkheid. Vluchten in alcohol, in fijne spirituele ervaringen, in boeken, in CSI en andere programma’s die zich hier uitstekend voor lenen. Langzaam is er iets veranderd in mijn leven; waar ik het leven vroeger een beproeving vond, vind ik het nu steeds meer een leuk en spannend avontuur. Het leven geeft me nog regelmatig pijn in de buik, maar van de directheid van het ervaren gaat zo’n waarachtigheid uit dat ik eigenlijk niet anders meer wil. Ik begin verliefd te worden op het leven zoals het is.

Wat deze liefde mogelijk maakt? In eerste instantie het voornemen om het leven helemaal aan te gaan, ook wanneer het spannend wordt. Dus ook moed en vertrouwen om op deze spannende momenten niet weg te rennen. En commitment aan mezelf; om mezelf niet langer te ondermijnen met kritiek of door te vergelijken. Om open te staan voor de mogelijkheid dat ik goed ben zoals ik ben, dat ik genoeg ben. En wat de motor gaande houdt zijn die momenten waarop ik stop met de wereld te ontleden en te benoemen. Wanneer er alleen maar heel direct ervaren is, een volledig aanwezig zijn. De vervulling die ik in deze momenten ervaar. En het besef dat de wereld niet ophoudt te bestaan wanneer ik stop met ‘mijn wereld’ te creëren.

De afgelopen tijd heb ik veel inzicht gekregen in de manieren waarop ik altijd ben gevluchten uit de directheid van ons onzekere bestaan. De boeken ‘De niet-herkende Boeddha’ van Hans Knibbe en ‘Omarm de wereld’ van Pema Chödrön zijn hierin ondersteunend geweest. De auteurs geven hun visie op ons bestaan vanuit hun eigen perspectief; Knibbe vanuit de Zijnsoriëntatie en Chödron vanuit het Tibetaans Boeddhisme. Dit zijn twee stromingen die mij inspireren op mijn levenspad. Deze twee boeken in het bijzonder zijn van inspiratie geweest voor het schrijven van dit paper.

Ik wil in dit verhaal vertellen hoe ik kijk naar ons ‘mens-zijn’. Ik begin met hoe wij op aarde komen, hoe ons bewustzijn zich vormt en hoe we ieder ons eigen wereld creeeren. Hier gaat het over de psychologische ontwikkeling van het jonge kind; over hechting en symbiose en over alle pogingen van ons systeem om de fundamentele onzekerheid van het leven uit de weg te gaan. Het gaat ook over de loyaliteit naar onze ouders toe. Ik geef voorbeelden uit mijn eigen leven om dit te verduidelijken. Ik zal vervolgens stil staan bij twee specifieke bewegingen binnen ons overlevingsmechanisme, namelijk het ‘teruggetrokken zelf’ en het ‘strategische zelf’. Beide ‘zelven’ zijn pogingen om je te willen verzekeren van verbinding met de omgeving en worden in het leven geroepen om de grondeloosheid van het bestaan uit de weg te gaan. Ik eindig met de mogelijkheid om meer los te komen van onze vooringenomenheid en overlevingsmechanismen. Ik geef aan wat in dit proces van loslaten helpend kan zijn en beschrijf een aantal krachtige oefeningen en methoden uit de Zijnsorientatie.

 

Te beginnen bij het begin

In wezen kunnen we natuurlijk alleen maar gissen naar in welke bewustzijnstoestand een baby op aarde komt. Niemand heeft hier herinneringen aan, zuigelingen kunnen het ons niet vertellen en iedere poging van ons om hier invulling aan te geven komt voort uit ons volwassen bewustzijn. Toch denk ik dat het mogelijk is om hier een gevoel bij te krijgen dat hier dicht bij in de buurt te komt. Knibbe probeert dit de lezer in zijn boek ‘De niet-herkende Boeddha’ middels een inlevingsexperiment te laten ervaren. Mijn ervaring in dit experiment kwam sterk overeen met de omschrijving die Knibbe later gaf en daarom ben ik geneigd hier een kern van waarheid in te zien. De reden waarom ik dit zo graag voor waar wil aannemen is omdat het zo helpent is om latere bewegingen in de ontwikkeling te kunnen begrijpen.

Dus…zoals het ongeveer zou kunnen gaan;

Ieder nieuw mensenleven begint vanuit de pure eenvoud van het Zijn. In een gerimpeld baby lijfje vindt het Zijn een voertuig om geleefd te worden. Het bewustzijn van de baby is nog open en ruim. Er is een enorme drang tot (over)leven en groeien en instinctief weet een baby (weet het Zijn) wat daar voor nodig is; voeding, warmte en veiligheid. Het heeft ook gauw genoeg door waar dit is te halen; als vanzelf gaat een baby op zoek naar een warme moederborst vol melk om zich te voeden. In eerste instantie ervaart het nog geen scheiding tussen zichzelf en de moeder. In zijn pure eenvoud is het gewoon zoals het is…één en al Zijns-straling dat zin heeft in leven. Al snel ontstaat er echter een primitief besef dat het voor zijn eerste levensvoorwaarden afhankelijk is van ‘iets van buitenaf’. Om deze afhankelijkheid draait het grotendeels in de verdere psychologische ontwikkeling van het jonge kind.

Het bovenstaande klinkt trouwens vrij romantische en idealistisch. Ik denk eerlijk gezegd dat de werkelijkheid genuanceerder is. Dat er zich al, op het moment van geboorte, allerlei lijnen en patronen hebben gevormd in het bewustzijn van de baby. Door ervaringen in de moederbuik, door de bevalling en mogelijke complicaties die er gespeeld hebben, door de samenstelling van het DNA of misschien zelfs door de wetten van karma en ervaringen uit vorige levens. Maar goed…een mensen baby is wel zo puur als we een mens op aarde mee zullen maken.

Zoals gezegd ontstaat er bij het jonge kind een (onbewuste) notie van zijn afhankelijk van de omgeving om te kunnen overleven. Met deze afhankelijkheid verliest het kind iets van zijn onbevangenheid. Het kan zich wel helemaal geven, in al zijn pure Zijns-straling aanwezig zijn, maar als er geen of weinig respons is vanuit de omgeving op deze straling dan wordt het toch wel link. In eerste instantie zal het kind proberen om zijn omgeving te verleiden om mee te gaan in zijn staat van Zijn. Om de anderen mee te laten trillen met de hoge trillingsfrequentie van deze Zijns-straling. Het is echter maar zelden zo dat het hierin slaagt. De kans is namelijk groot dat de ouders of verzorgers hun gevoeligheid voor deze hoge trillingsfrequentie zijn kwijt geraakt. Als reactie op het niet ontmoet worden in deze Zijns-staat zal het kind zijn straling terugtrekken en zal het zich aanpassen aan het lagere trillingsniveau van zijn ouders om zo toch een ontmoeting mogelijk te maken.

 Over hechting, (on)lustoriëntatie en het creëren van een eigen wereld

Om zich ook in de toekomst te verzekeren van voeding en verzorging zal het kind de factoren die hiervoor zorgen, de ouders/verzorgers, veilig willen stellen. Hij zal zich aan hen willen hechten. Dit wordt in de psychologie ook wel ‘symbiose zoeken’ zoeken. Om dit hechten mogelijk te maken is het voor het kind belangrijk om een duidelijke definitie te hebben van het object van hechting. Hier ontstaat als het ware de dualiteit, de scheiding tussen het ‘ik’ en ‘het andere’ of ‘de ander’. Het gaat in de openheid van het Zijn onderscheid maken en kaders aanbrengen. Het vormt zich beelden van belangrijke personen en voorwerpen; van zijn ouders, van de fles, van opa en oma, om zo zijn aandacht op iets specifieks te kunnen richten. Al snel krijgen deze beelden een naam en kunnen ze benoemd worden. Dit benoemen en kaderen zet zich voort en wordt steeds verfijnder. Je zou dit het ‘verdingelijken’ van de werkelijkheid kunnen noemen. Een noodzakelijke stap in de ontwikkeling wat betreft de overleving en het ervaren van veiligheid.

Om te bepalen waaraan het zich wel en niet wil hechten is er iets werkzaam dat een lust-/ onlust-oriëntatie genoemd kan worden; dat wat bevrediging geeft daar zal het kind zich aan willen hechten en daar zal het zijn fixatie op richten. Dat wat ongemak teweeg brengt, daar zal het van weg willen. Dit principe zal de rest van zijn leven een grote rol spelen.

 In en vanuit de openheid van het Zijn ontstaan er dus verschillende bewegingen; er wordt gekaderd en benoemd, er ontstaat een besef van ik en de ander, er wordt onderscheid gemaakt tussen prettige en niet prettige prikkels en hier komen verschillende reacties uit voort (willen vasthouden of er van weg willen). Al deze bewegingen vormen de basis van de matrix van het bewustzijn van het kind. Het vormen van deze matrix breidt zich verder uit naarmate we ouder worden. Omdat we de wereld steeds meer gaan zien en ervaren vanuit deze matrix, gaat er steeds meer van de openheid van het Zijn verloren. Er ontstaat een bepaalde vooringenomenheid. De wereld kan niet meer worden gezien zoals die is. We creëren onze eigen wereld. Dit zie ik als volgt (lees van onder naar boven.)

Kim hechting

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zoveel mensen als er zijn, zoveel verschillende werelden worden er zo gecreerd. En dit alles om onze overlevingskansen zo groot mogelijk te maken. Het Zijn kan niet anders dan zich steeds verder te verdichten, wil het een kans krijgen om in deze wereld tot vorm te komen.

Door middel van hechting stelt het jonge kind vooral in werking dat het niet alleen komt te staan. ‘Alleen staan’ staat voor het kind bijna gelijk aan sterven. Dit geld heel letterlijk waar het de afhankelijkheid van de omgeving betreft voor het krijgen van voeding en bescherming, maar meer figuurlijk waar het gaat om het krijgen van bevestiging. Het kind heeft een goed zelfbesef nodig, wil het een helder besef krijgen van de ander en wil het zich kunnen hechten. Deze drie; het ‘ik’ (zelfbeeld), de hechtbeweging en het onderwerp van hechting (‘de ander’/ ‘het andere’), worden tegelijkertijd gecreëerd. (Dit is belangrijk om te beseffen omdat dan duidelijk wordt dat zij ook in één keer losgelaten kunnen worden).

Het spanningsveld dat ontstaat op het moment dat wij niet bevestigd worden in ons bestaan, dat we geen verbinding ervaren, noemt Knibbe de ‘contactloosheid’. Pema Chödrön heeft het hier over Groundlesness, een woord dat in de vertaling van haar Nederlandse boeken wordt omschreven als de ‘fundamentele openheid van het bestaan’. Ikzelf vind de ‘Grondeloosheid van het bestaan’ een mooiere vertaling. Op het moment dat er geen bevestiging is vanuit de omgeving, zoals wij die zouden willen, komen er scheuren in ons zelfbeeld. De onderliggende openheid begint hierdoor heen te glanzen. Deze openheid wordt door onze gestolde versie als zo bedreigend ervaren dat het zich er vanaf keert. Het zal de scheur weer willen dichten. Hier werkt dus nog steeds het (on)lust principe; wat we als bedreigend of onprettig ervaren, daar willen we van weg. Hoe doen we dit? Vaak gebeurt dit doordat we de sensaties die we op dat moment ervaren benoemen als zijnde bijvoorbeeld ‘angst’ of ‘irritatie’. Deze emoties roepen veel associaties en gedachten op. Deze gedachten voeden weer de emotie en maken dat die langer aanhoud. Hierdoor wordt de openheid en onzekerheid die voelbaar was weer toegedekt. Het ‘negatieve gevoel’ werkt zo als een pleister op de wond of als een soort afleidingsmanoeuvre. In wezen zijn ze een toegangspoort tot het Zijn omdat ze ons er op wijzen dat er een opening is ontstaan in de muurvaste constructie van onze zelfgecreëerde werkelijkheid.

 

Leven in het ‘Huis van de Ouders’ en de zucht naar vrijheid

Omdat veel van de patronen in de matrix van ons bewustzijn zijn ontstaan in relatie tot onze ouders noemt Knibbe dit ‘Leven vanuit het huis van de ouders’. Er gaat een enorme aantrekkingskracht uit van leven vanuit deze patronen. We ontlenen hier een gevoel van houvast en zekerheid aan. Daarom blijven we deze patronen vaak herhalen lang nadat deze zijn ontstaan en er een zekere noodzaak toe was. Alles beter dan deze patronen los te laten en te gaan ervaren welke openheid en ruimte daar onder zijn. Door deze patronen te volgen hoeven we niet geconfronteerd te worden met de contactloosheid of bodemloosheid van het bestaan.

In mijn leven is vooral ‘angst’ als patroon van grote invloed geweest. Ik dacht voor veel dingen bang te zijn en dit maakte dat ik heel voorzichtig en terughoudend werd. Ik kon uren met een boekje op de bank liggen, dan kon er niet zoveel gebeuren dat mijn bestaan zou bedreigen. Zo maakte ik mijn wereld klein en overzichtelijk en voelde ik me relatief veilig. Toch was er ‘iets’ dat om aandacht bleef vragen, dat geen genoegen wilde nemen met dit beperkte bestaan. Een altijd onderliggend gevoel van onvrede dat concreet werd in de vraag; ‘dit kan toch niet alles zijn dat het leven mij te bieden heeft?’. Vanuit deze impuls ben ik voorzichtig van de bank af gekomen en op onderzoek uit gegaan. Ik kwam in eerste instantie op het spoor van oefeningen en onderricht vanuit het Tibetaans Boeddhisme. In deze visie wordt er vanuit gegaan dat alles al ‘verlicht’ is, maar dat we dit niet willen of kunnen zien. In de oefeningen werd de openheid van het Zijn heel direct opgezocht en eigenlijk was dit zo mind blowing en van zo’n schitterende helderheid dat mijn systeem vol in het verzet kwam. Terwijl ik dit pad volgde greep ik steeds vaker naar de fles; ik kon tijdens een trainingsdag de mooiste verlichtende ervaringen hebben, maar als ik thuis kwam dronk ik eerst een paar biertjes of wijntjes om mezelf weer te nestelen in het vertrouwde bedje van vergetelheid. Dit heeft best een tijd geduurd, een paar jaar wel, maar ook hier brak de boodschap van het Zijn doorheen als; ‘dit is niet alles dat het leven jou te bieden heeft’. Ik heb hulp gezocht om het verstikkende patroon met alcohol te doorbreken en kwam op het spoor van de Zijnsorientatie. Eigenlijk was dit het hervinden van een spoor, want al jaren eerder werd ik begeleid door iemand die vanuit deze visie werkte en toen al heb ik de kracht ervan ervaren. De keuze om te starten met het basisjaar aan het Centrum voor Zijnsorientatie was voor mij een nieuw begin. Eindelijk gaf ik mezelf de ruimte om opnieuw kennis te maken met aspecten in mij die ondergesneeuwd waren; mijn gevoeligheid, mijn helderheid en ook steeds meer mijn spontaniteit en speelsheid.

Inmiddels ben ik zo’n 1,5 jaar verder en zit ik halverwege het tweede jaar van de Coachopleiding aan het Centrum. Mijn dagelijks leven is in veel opzichte niet meer te vergelijken met pakweg 2 á 3 jaar geleden. Toch is het eigenlijk pas dit jaar dat ik toe kom aan het onderzoeken van de patronen die zijn ontstaan in relatie tot mijn ouders. Ik heb hier eerder wel aan gesnuffeld, maar ik had mijn ouders op zo’n hoog voetstuk geplaatst dat ik niet al te diep wilde graven. Ik wilde de relatie met hun niet op het spel zetten. Ik merk dat ik hier nu wel aan toe ben. Ik denk dat dit mogelijk wordt doordat ik steeds steviger op eigen benen kom te staan en minder afhankelijk wordt van ‘iets van buitenaf’. De kennis en visie van Knibbe helpen mij hierbij. Hij stelt een taal en kader beschikbaar waardoor ik deze processen in mijzelf kan onderzoeken en begrijpen.

Waarom is het zo fijn is om deze loyaliteit ten opzichte van mijn ouders te onderzoeken? Omdat er zoveel voorgeprogrammeerde paden in mijn bewustzijn door zijn ontstaan, die bepalen waarom ik de dingen doe die ik doe en hoe ik ze doe. In zekere zin beperken ze mijn bewegingsvrijheid. In mijn situatie als ‘coach-in-opleiding’ is dit onderzoek ook helpend om zicht krijgen op mijn motivatie om mensen te willen begeleiden. Hierin spelen ook vaak allerlei onbewuste patronen mee die kunnen verhinderen om vanuit openheid aanwezig te zijn bij wat er is. Het ‘zuiveren van de motivatie’ wordt dit in de opleiding ook wel genoemd.

 

Het ‘Huis van mijn ouders’

De mogelijke relatie tussen de patronen uit het ‘Huis van mijn ouders’ en mijn motivatie om het coachvak in te willen werd me (pijnlijk) duidelijk tijdens een drie daagse training van de Coachopleiding. En vooral ook in de weken daarna. Ik zal vertellen welke patronen ik begon te herkennen. Ik realiseer me dat ik, door bepaalde patronen uit te lichten, voorbij ga aan de complexiteit van de matrix van mijn bewustzijn. Toch kies ik ervoor dit zo te doen omdat het een idee geeft van hoe deze processen kunnen werken.

 

Ergens lijkt het onderzoek dat ik hier doe op het ontrafelen van een tafelkleed; je kunt het beste gewoon maar ergens beginnen, wanneer je dit met geduld en beleid doet volgt de rest vanzelf. Of op het zoeken met een zoeklicht; je laat ergens het licht van je aandacht op schijnen, het wordt zichtbaar en komt in je bewustzijn. Vervolgens schijn je weer naar een ander stukje en het vorige deel verdwijnt weer in het donker. Het is niet weg, maar het is even niet zo in de picture. Zo zijn er delen die in het volle licht te zien zijn, andere delen die ooit wel eens zijn belicht, maar zich weer in het donker bevinden en er zijn delen die nog niet in het licht zijn geweest, die nog onbewust zijn. Het is maar zelden zo dat je het hele plaatje in een keer helder verlicht in beeld krijgt. En als er toch een notie is van de totaliteit dan lijkt dit meer op een gevoelsmatige indruk, zonder alle details.

Het fijne aan de Zijnsorientatie, zoals onderwezen aan het Centrum voor Zijnsorientatie, is dat er verschillende methoden aangereikt worden om jezelf in het onderzoek te begeleiden. Ook hier zal ik enkele voorbeelden van geven.

Toen ik kon gaan kijken naar de patronen die zijn ontstaat in relatie met mijn ouders was het eerste dat ik op het spoor kwam de sterke neiging binnen het gezin om je verantwoordelijk te voelen voor het welzijn van anderen. Vooral wanneer er leed is bij de ander, dan lijden wij ‘Verhaartjes’ mee en willen we iets doen om het leed op te lossen. In het belang van die ander, maar zoals ik heb ontdekt, vooral ook in het eigen belang. Om het lijden aan het lijden van de ander op te lossen. Ik zie dit terug bij mijn beide ouders, ook in hoe ze mij benaderen. Ieder op hun eigen manier en vanuit hun eigen belang.

Het ontrafelen van het ‘tafelkleed’ van mijn jeugd begon eigenlijk al in de dagen vóór die drie daagse training van mijn opleiding. Ik ben toen tien dagen op vakantie geweest met mijn ouders en vriendin. Als er goede methodes zijn om patronen tussen ouders en kind helder te maken dan is ‘samen op vakantie gaan’ er zeker één van. De eerste dagen verliepen prima. We bezochten een stad in het Oosten van Europa en verbleven in een hotel. Mijn vriendin en ik hadden samen een eigen kamer en mijn ouders ook. We brachten het grootste gedeelte van de dag met zijn vieren door, maar er waren ook momenten dat ik alleen was met mijn vriendin of dat ik even in mijn eentje op pad ging. Het was denk ik zo’n vijf jaar geleden sinds ik voor het laatst langere tijd met mijn ouders optrok. Mijn vader maakte deze eerste dagen een opmerking die me bij bleef, namelijk dat hij onder de indruk was van de kracht en zelfstandigheid die ik uitstraalde en van de inbreng dit ik deed wat betreft onze daginvulling. Blijkbaar was dit wel een beetje nieuw voor hem.

Na een paar dagen in de grote stad te hebben doorgebracht zouden we in één dag met de auto naar het huisje rijden dat die komende week onze verblijfsplaats zou zijn. Tijdens deze reis merkte ik dat ik me steeds meer in mezelf terug begon te trekken en dat er regelmatig een gevoel van irritatie was. Dit gaf me een beklemmend gevoel dat ergens heel bekend aandeed. Ik kon echter de oorzaak niet goed herleiden. Dit gevoel hield aan tijdens de eerste dagen in ons vakantiehuisje. Ik merkte dat ik er qua stemming niet gezelliger op werd. Toch bleef ik mijn aandacht aanwezig bij wat zich in mij ontvouwde. Met mijn vriendin kon ik hier op een gegeven moment over praten, maar naar mijn ouders toe kwam ik niet verder dan te zeggen dat er veel in mij in beweging was. Langzaam begon ik momenten te herkennen waarin ik op mijn ouders reageerde met irritatie en terugtrekken. Meestal had dit te maken met het geven van ongevraagde oplossingen en adviezen. Ik zal een voorbeeld geven; mijn vriendin en ik zouden tijdens ons verblijf in het huisje een paar dagen een auto huren om met zijn twee op pad te gaan. We zouden daarbij een nacht wegblijven. Naast mijn grote reisrugtas had ik geen geschikte tas bij me om wat spullen voor één nacht in mee te nemen. Ik wist dat mijn ouders een soort boodschappen tas bij zich hadden en ik vroeg hen of ik deze voor dit doel mocht lenen. Mijn moeder zei dat ik haar rugtas wel mocht lenen en mijn vader gaf aan dat hij nog wel een geschiktere tas bij zich had die ik kon gebruiken. Heel goed bedoelt, zo zou je kunnen denken, maar bij mij riep dit vooral irritatie op. Er waren gedachten als; ‘Ik vroeg alleen om die ene tas, is mijn oplossing dan niet goed, doen mijn ideeën er niet toe?’ Ik vermoed dat deze situatie inhaakte op een oud spoor in mijn bewustzijn. Ik ervoer dit als een ondermijning van mijn eigen oplossende vermogen. Zelfs van mijn eigenheid. Het zou goed kunnen dat vanuit deze bewegingen in mij de aanname is ontstaan die heel lang veel invloed heeft gehad, namelijk; ‘ik kan het niet zelf/ alleen’.

Ik heb dit later met mijn ouders besproken en beide gaven aan dat ze alleen maar het beste met me voor hebben en dat ze alles willen doen wat in hun macht ligt om het mij zo comfortabel mogelijk te maken. Bij mijn vader is onderliggend dat hij het gewoon niet kan aanzien wanneer er bij mij ongemak of lijden is. Hij herkend in mij een grote gevoeligheid en vult dit in als zijnde een kwetsbaarheid. In de plaats van mij te leren hiermee om te gaan doet hij zelf hard zijn best om ervoor te zorgen dat mij niets overkomt. Bij mijn moeder ligt het iets anders; ook bij haar is er een neiging om ongemak bij mij op te sporen, maar dit lijkt meer als doel te hebben om zelf bevestigd of gerustgesteld te worden.

Hoe dit bij mijn moeder werkt werd me duidelijk door de terugreis van onze vakantie. Mijn ouders en ik zaten op drie stoelen naast elkaar in het vliegtuig. We zaten vlakbij één van de motoren en het was daar behoorlijk lawaaiig. Een normaal gesprek was bijna niet mogelijk. Ik vond dat wel best, had wel behoefte om even op mezelf te zijn. Weken later had ik mijn moeder aan de telefoon en die kwam hierop terug. Of er toen iets met mij aan de hand was, ik was zo stil geweest tijdens de reis. Deze vraag had haar al die tijd bezig gehouden. Ik heb haar toen verteld dat er niets aan de hand was. Toen niet en nu niet. Dat ik het in het vliegtuig zelfs wel prettig vond om even met mijn aandacht helemaal bij mezelf te zijn. Mijn moeder bleek hierdoor heel onzeker te zijn geworden. Zij had liever gehad dat ik haar op dat moment ervan had verzekerd dat alles goed (met mij) was. En ik denk vooral; dat onze relatie nog goed was. Ik heb toen uit kunnen leggen dat ik daar niet altijd zin in heb, om haar gerust te stellen. Dat dit voor mijn gevoel inbreuk doet op mijn eigen ruimte, alsof ik verantwoording aan haar moet af leggen. Mijn moeder snapte dit en het werd haar duidelijk dat deze beweging voortkomt uit haar eigen onzekerheid en behoefte aan bevestiging.

Misschien dat beide voorbeelden ogenschijnlijk niet veel met elkaar te maken hebben. Wat ze voor mijn gevoel gemeen hebben is de grote betrokkenheid van mijn ouders ten opzichte van mij en het effect dat dit op mij heeft gehad. Ik ervaar dit vaak als ‘te dicht op mijn huid’ en ‘geen respect hebbend voor mijn eigen ruimte’. Van hieruit kan ik de terugtrekkende bewegingen in mij ten opzichte van mijn ouders beter plaatsen. Dit terugtrekken deed ik heel letterlijk toen ik een jaar of 7, 8 jaar was en overal in huis ‘eigen ruimtes’ creëerde waar ik me kon verstoppen; in de voorraadkast van de keuken, in mijn kledingkast, op zolder achter de trap. Vandaag de dag heb ik nog steeds heel snel het gevoel dat mensen ‘in mijn persoonlijk ruimte komen’, bijvoorbeeld als zij een beroep op mij doen. Ik raak dan snel geïrriteerd. Ik snap nu ook beter waarom ik, toen ik net begon met het coachen, me vaak zo bezwaard voelde wanneer ik mensen vroeg naar hun lichamelijke sensaties. Ik ervoer dit alsof ik iemands eigen ruimte penetreerde. Ik projecteer mijn eigen gevoeligheid op dit gebied op de ander.

Toen ik de grote betrokkenheid van mijn ouders helder in het vizier begon te krijgen ontstond er in mij een gevoel van boosheid. Naar mijn vader toe in de zin van; ‘gun mij toch mijn eigen leed’ en naar mijn moeder toe; ‘gebruik mij niet om je eigen onzekerheid op te lossen, ga op je eigen benen staan’. Ik vond het best lastig om deze negatieve gedachten en gevoelens toe te laten. Hierin heb ik mezelf kunnen begeleiden met behulp van de zogenaamde ‘Zelfvergevingsoefening’. De ‘Zelfvergevingsoefening’ is een middel om te kijken naar die aspecten in jezelf waarvan je het lastig vind dat ze er zijn. De kracht van de oefening zit hem daarin dat je probeert vanuit een ‘volwassen’ houding naar dit aspect te kijken. Hier gaat het om het ontwikkeling van een open en verwelkomende houding ten opzichte van alles wat zich aandient. Het gaat hier ook over het loskomen van je identificatie met het kind-deel in jezelf. Knibbe omschrijft ‘het kind in jezelf’ als; een gestold protest tegen de werkelijkheid. Vanuit deze optiek zijn de dingen niet te zien zoals ze zijn. Wat je concreet doet met de oefening is ongeveer het volgende; je kiest een bepaald aspect, bijvoorbeeld een gevoel, waarvan je het lastig vind dat het er is. In mijn geval was dit de boosheid ten opzichte van mijn ouders. Ik vond het lastig om die er te laten zijn omdat het voor mijn gevoel een bedreiging vormde voor de goede band die ik met hen heb. Vervolgens probeer je, eventueel met je ogen dicht, voor je in de ruimte een beeld te visualiseren dat symbool staat voor dit gevoel. Het kan helpend zijn om jezelf hier als kind te visualiseren. Werken met jezelf als kind maakt het makkelijker om iets van compassie te gaan voelen voor dit deel in jou. Het kan echter ook zijn dat de visualisatie die verschijnt meer symbolisch is, bijvoorbeeld een bepaald voorwerp of figuur. Vervolgens probeer je vanuit een open en volwassen houding contact te maken met het onderwerp van je visualisatie. Dit doe je doormiddel van het uitspreken van bepaalde zinnen. De eerste zin is heel eenvoudig, je zegt hardop; ‘Ik zie dat je (in mijn geval) boos bent. Je mag boos zijn’. Vervolgens kijk je naar wat het uitspreken van deze zin in de visualisatie te weeg brengt. Er kan iets veranderen in de blik of houden van het gevisualiseerde. Er kunnen nieuwe emoties verschijnen. Dan benoem je op dezelfde manier wat je dan meent te zien. Uiteindelijk werk je toe naar zinnen die uiting geven aan jouw voornemen om voortaan trouw te zijn aan dat aspect van jezelf, om er niet langer voor weg te lopen. Je vraagt om vergeving voor het feit dat je eerder geen oog hebt gehad voor dit specifieke stukje van jezelf. Het doorlopen van deze stappen werkt heel helend. Het is een mooie manier om bestaansrecht te geven aan dat wat er in jezelf leeft en gezien wil worden.

Een andere ingang bij deze oefening is het werken vanuit fysieke sensaties. Dan ga je met je aandacht naar binnen en bekijkt wat zich daar laat voelen. Dan laat je als het ware dit fysieke gevoel spreken en laat je van daaruit een visualisatie ontstaan. Dit is een meer lichaamsgerichte benadering van de oefening. In beide gevallen stem je tussentijds regelmatig af op wat er in je eigen lichaam gebeurd, wat daar voelbaar is. Bij mij verliep de oefening ongeveer als volgt;

Ik stemde mij af op die boosheid die ik voelde naar mijn ouders. Het beeld verscheen van een jonge versie van mijzelf, zo’n 6 a 7 jaar oud. Deze kleine Kim zat met haar knietjes op de grond tussen twee zware blokken of platen in. De platen leken druk uit te oefenen op het meisje en zij probeerde met haar armen tegendruk te bieden.

Kim

Ik had het gevoel dat die twee platen mijn ouders representeerde. Allebei op hun eigen manier (vermeende) druk op mij uitoefenend. Ieder vanuit zijn eigen, soms tegenstrijdige, verwachtingen. De kleine Kim was bang om door de platen verpletterd te worden en probeerde ze daarom van zich af te duwen. Het meisje straalde in eerste instantie iets wanhopigs uit en ik ben begonnen met dit te benoemen; ‘Ik zie dat je je wanhopig voelt…je mag je wanhopig voelen’. Wanhopig veranderde vervolgens in ‘dodelijk vermoeid’ en nadat ik ook dit heb benoemd werd er een soort van apathie zichtbaar, alsof ze het had opgegeven. Toen kwam er iets van radeloosheid, het gevoel van; ‘maar ik kan niet anders, ik weet niet hoe’. Bij erkenning hiervan stopte de kleine Kim opeens met duwen. Er laaide een boosheid in haar op. Ze stopte met het duwen tegen de platen, ging staan en begon boos tegen me tekeer te gaan. Het grappige was dat ze zelf niet doorhad dat ze gestopt was met duwen, maar dat de platen op hun plaats bleven en haar niet verpletterde. Ik heb toen benoemd dat ik zag hoe boos ze was en dat ze boos mocht zijn. Ze gaf aan zich in de kou gezet te voelen en ook hier gaf ik erkenning aan. Op dit moment van de oefening voelde het voor mij alsof het even genoeg was. Alsof het niet goed zou zijn om verder te gaan. Alsof deze ‘staat’, het zich miskend voelen, nog wat langer wilde blijven bestaan. Ik heb de kleine Kim toen belooft dat ik er voortaan voor haar zou zijn en dat we hier op en ander moment op terug konden komen. Daarmee sloot ik deze zelfbegeleidingsoefening af.

Op de oefening terugkijkend verbaas ik me over de kracht van het kleine kind die vrijkwam op het moment dat ze stopte met duwen en boos mocht worden.

Tijdens het schrijven van dit stuk is er op eens een flits van inzicht in mij waarvan ik in eerste instantie niet goed weet hoe dit te duiden. Het ging over dat er in mij heel lang een mechanisme werkzaam was dat voorkwam dat het goed met mij ging. In deze flits van inzicht zie ik deze beweging als een manier om mij te verzekeren van de verbinding met mijn ouders. Alsof; ‘zolang er bij mij lijden is heb ik mijn ouders nodig en zij mij’. Ofwel als; ‘als het goed met mij gaat heb ik mijn ouders niet nodig, kunnen zijn ‘hun ding’ niet meer voor mij doen en komt de relatie op het spel te staan’. Dit lijkt te spelen in relatie tot mijn ouders, maar ik herken dit ook uit de beginfase van de relatie met mijn vriendin. Heel lang is er een patroon geweest dat als het goed ging tussen ons, of we hadden bijvoorbeeld een leuke dag gehad samen, dat ik dat teniet moest doen. Door een nare opmerking te maken of kritiek te geven. Ik besef nu dat deze beweging mijn aandeel is geweest in het in stand houden van de symbiose met mijn ouders.

Het grappige aan het verhaal over de manier waarop mijn ouders zich ten opzichte van mij verhouden is…ik doe precies het zelfde! Naar mezelf toe in de zin van dat ik sterk geneigd ben om mijn eigen lijden uit de weg te gaan en naar andere toe in de zin van dat ik altijd met oplossingen kom aandraven voor hun problemen. In mijn werk herken ik dit vooral op momenten dat er ongemak is bij een collega of bij één van de bewoners van de woonvoorziening. Fysiek ervaar ik op deze momenten een sterk vernauwen aan de voorkant van mijn romp, een samentrekken in het gebied van hart, middenrif en buik. Iets lijkt zich terug te trekken in mijn lichaam en zich te verharden. En tegelijkertijd merk ik dat mijn handen in actie willen komen, willen uitrijken, willen werken. Deze beweging van uitrijken overstemt het gevoel van terugtrekken. Wanneer er ongemak of onvrede is bij een collega en zij komen hiermee bij mij dan roept dit aan de ene kant irritatie op, aan de andere kant kom ik in actie om de onvrede op te lossen. De irritatie komt voort uit het gevoel dat iemand zijn afval dumpt in mijn schone vrije ruimte. De actie komt voor uit het maar zo snel mogelijk willen opheffen van het ongemak. Dan heb ik er geen last meer van. Ik vind het dus heel lastig om hun probleem gewoon hun probleem te laten.

Bij de cliënten met een verstandelijke beperking die ik begeleid ben ik vooral gevoelig voor (groot) emotioneel lijden. Dit verschilt wel per persoon en per situatie. Ik merk dat ik met name sterk reageer op vrouwen die een ontredderde indruk maken, die verdrietig of boos zijn en een bepaalde radeloosheid over zich hebben (een beeld dat raakt aan beelden van vroeger van mijn moeder?). Ik merk dat ik bijna fysiek meevoel met wat er in hun omgaat, dat ik bijna hun gevoel van onmacht of frustratie overneem. Met de coach op mijn werk heb ik onderzocht wat er dan gebeurd; ik ben geneigd om me helemaal in de ander te verplaatsen, om van daaruit hopelijk een richting te vinden om het gevoel van ongemak op te kunnen lossen. Ik vind dit eigenlijk helemaal niet prettig omdat ik het contact met mezelf hier verlies. Vaak ontstaat er daarom een tegenbeweging van me los willen maken uit de situatie. Deze impulsen maken het heel moeilijk om náást de ander te blijven staan en er werkelijk voor de ander te zijn. Ik zie nu ook dat ik hiermee onrecht aan doe aan het ‘mogen lijden’ van de ander, aan een stukje autonomie van deze persoon.

In mijn relatie kom ik dit tegen als een (voorheen vrijwel continu) afgestemd zijn op mijn vriendin om zo te kunnen pijlen wat er bij haar gaande is. Om eventueel mijn invloed aan te wenden als ‘daar’ een ongemak zou zijn. Ik merk dat ik vooral gevoelig ben voor wanneer mijn vriendin in mijn ogen ‘niet helemaal bij zichzelf’ is. Mijn systeem reageert hier sterk op; er is een oordeel dat dit niet goed zou zijn. Het liefst wil ik ‘daar’ dan iets veranderen en als dat niet lukt dan wordt ik narrig, raak ik geïrriteerd. Mijn vriendin ervaart deze betrokkenheid van mij vaak als beklemmend en reageert hierop door zich terug te trekken. Ik interpreteer dit vervolgens als bedreiging voor de verbinding en sla mijn klauwen verder uit. Zij raakt verder geïrriteerd en wordt nog afstandelijker. Ik herken hier wat er tussen mij en mijn moeder gebeurt. De bewegingen die ik maak werken averechts ten opzichte van dat wat ik in wezen wil bereiken; een open en vrije verbinding. Ik heb heel lang gedacht dat de ‘oplossing’ ligt in het veranderen van mijn omgeving. Nu merk ik steeds vaker dat het mij een gevoel van welbevinden geeft wanneer ik op deze momenten juist mijn aandacht naar binnen breng en aanwezig blijf bij de sensaties die daar voelbaar zijn. Bij de gevoelens van spanning en ongemak. Dan is er verbinding met wat er werkelijk is en dat is vervullend. Bovendien maakt dit dat ik meer in de openheid van het Zijn blijf waarin ruimte is voor een spontane ontmoeting met mijn vriendin.

 

De ontwikkeling van het ‘teruggetrokken zelf’ en ‘strategische zelf’

Ik wil hier het licht laten schijnen op twee specifieke onderdelen van ons overlevingsmechanisme. Het zijn verschijnselen die ons in staat stellen om de contactloosheid of bodemloosheid van het bestaan uit de weg te gaan. In mijn persoonlijke verhaal beschrijf ik de bewegingen wel, maar benoem ik ze nog niet specifiek. Het gaat hier om twee innerlijke houdingen die al in het begin van ons leven zichtbaar worden. Het gaat hier over de ontwikkeling van een ‘teruggetrokken zelf’ en van een ‘strategisch zelf’. In de beschrijving van de baby die als Zijnstraling op aarde komt werd er een terugtrekkende beweging zichtbaar op het moment dat het niet werd ontmoet in zijn behoefte aan liefde en verbinding. Hier ligt waarschijnlijk de basis voor de ontwikkeling van het teruggetrokken zelf. Als het kind opgroeit, zal het in soortgelijke situaties, situaties waarin het niet ontmoet wordt in liefde en verbinding, waar het geen bevestiging vindt, deze terugtrekkende beweging kunnen gaan maken.

Het niet ontmoet worden voelt als een afwijzing en het is minder pijnlijk om zelf de verbinding te verbreken dan om nog meer afwijzing te riskeren. Iemand komt zo meer alleen te staan. Dit is de beweging van het teruggetrokken zelf.

Omdat het ‘alleen staan’ ook weer bepaalde nadelen heeft kan er een tegenbeweging ontstaan waarmee iemand zich opnieuw wil verzekeren van aandacht en waardering. Dit is het achterliggende motief van het strategische zelf. In het voorbeeld van de baby werd dit zichtbaar in het zich aan gaan passen aan het lagere trillingsniveau van zijn omgeving. Het gaat iets doen, iets ondernemen om toch gezien te worden, om toch verbinding mogelijk te maken. Ook deze beweging zal zich in het latere leven in bepaalde situaties voor blijven doen. Het is de beweging waar bijvoorbeeld ‘perfectionisme’ uit voort komt, het willen voldoen aan allerlei (vaak vermeende) verwachtingen. Ook deze beweging gaat in wezen ten kosten van iemands eigenheid. Onderliggend aan beide bewegingen speelt de angst dat niet goed te zijn zoals je bent.

De terugtrekkende bewegingen die ik maak in relatie tot mijn ouders komen in mijn verhaal vrij goed naar voor.Naast de terugtrekkende beweging in mij zie ik ook een beweging waaruit blijkt dat ik de relatie niet wil riskeren. Zie ik een neiging tot meebewegen met mijn ouders, van willen voldoen aan hun verwachtingen. Wat vrij ingewikkeld is wanneer ouders verschillende of soms zelfs tegenstrijdige verwachtingen lijken te hebben.

Ook in mijn werk zijn beide bewegingen goed zichtbaar. Ik geef mezelf een plek aan de rand van het team. Een plek vanwaar ik uit het teamverband kan stappen als het te heet onder mijn voeten wordt (teruggetrokken zelf) of vanwaar ik, als er nood aan de man is, er ook midden in kan duiken de boel ‘te redden’ (mijn strategische zelf, ofwel ‘SUPERWOMAN!’). Mijn strategische zelf is in mijn werk vooral leidend, als in alles zo goed mogelijk willen doen, willen voldoen aan ieders verwachtingen. Ik ben het meestal zelf die deze verwachtingen invult, want meestal zijn ze helemaal niet zo uitgesproken. Juist omdat ze niet altijd helder zijn zal ik alles doen om maar aan elke mogelijke verwachting te voldoen. SLOPEND! En als dit me te veel energie gaat kosten, als ik mezelf er te veel in verlies, dan komt in één keer weer een terugtrekkende beweging opgang.

Hoe werkt dit voor jou als je kijkt naar jouw levensgebieden en relaties?

Herken je dan in jou de bewegingen van deze twee ‘zelven’?

Wanneer we ons bewust gaan worden van deze bewegingen kan er een verlangen ontstaan om hier meer van los te komen. Een verlangen naar rust, in de plaats van een speelbal te zijn van onze omgeving. We zijn dan echter vaak geneigd om hier vanuit deze zelfde houdingen naar te kijken en op in te spelen. Toen ik mijn neiging tot perfectionisme, als uiting van mijn strategische zelf, in mijn werk begon te herkennen merkte ik dat ik vanuit een zelfde soort voortvarendheid hiermee aan de slag wilde. Als ik me hier niet bewust van zou zijn geweest, dan zou ik op heel perfectionistische wijze mijn eigen perfectionisme te lijf zijn gegaan. Een missie gedoemd om te mislukken. Dit is niet de manier om meer vrijheid in deze patronen te krijgen. Bentinho Massaro, een jonge eigentijdse leraar, heeft op Youtube een heel interessante video staan waarin hij uitlegt hoe dit werkt. Hij zegt dat vanuit de bewustzijnslaag waarin bepaalde patronen en aannamen spelen de oplossing nooit gevonden kan worden. De enige effectieve manier om de werking van de onderliggende aannames te doorbreken is om hier uit te stappen, om het op te geven. Om te erkennen dat de onderliggende aanname het juist heeft en dat je niets kunt doen om het tegendeel te bewijzen. In mijn geval met het perfectionisme speelt onderliggend de aanname dat ik niet voldoe wanneer ik gewoon mezelf ben. Vanuit het strategische zelf wil ik bewijzen dat ik wel degelijk waardig ben, dit door te voldoen aan alle mogelijk denkbaar verwachtingen. Hiermee bevestig ik alleen maar de aanname dat ik niet voldoe. Ik kan zo hard werken als ik wil, maar voldoening zal ik er nooit mee bereiken. De enige manier om dit te doorbreken is door te erkennen dat ik nooit, maar dan ook echt nooit zal kunnen voldoen aan alle verwachtingen. Dat ik nooit zal voldoen en dat het een hopeloze zaak is. Pas wanneer je dit helemaal kunt doorvoelen kan de actietendens die vanuit deze aanname voortkomt wat tot rust komen. Mijn ervaring is dat dit werkt! Een valkuil hier is wel dat je jezelf verliest in de hopeloosheid (‘zie je wel dat ik niet deug?!’). Het vraagt dus wel de nodige helderheid en distantie om op deze manier te kijken.

 

Leven vanuit de fundamentele openheid van ons bestaan

Op een gegeven moment kan er in ons het besef ontstaan dat we iets van ons stralend-zijn zijn kwijt geraakt. In mij kwam dit in eerste instantie naar boven als de vraag ‘is dit alles wat het leven te bieden heeft?’ Het kan zich ook manifesteren als grote vermoeidheid als gevolg van het harde werken om bepaalde aannames over jezelf te willen ontkrachten. Door het tegendeel te willen bewijzen. Dit is wat we noemen een ‘burn-out’. Dit gevoel van onvrede en vermoeidheid is waar de zoekende bewegingen uit voortkomt die veel mensen in de richting doen gaan van religie en spiritualiteit. Dit zoeken volgt vaak in eerste instantie de beweging van het zoeken naar iets buiten zich zelf dat ‘de honger’ naar rust, naar verlichting moet gaan stillen. Men wordt aanhanger van een religieuze groep of volgt een spiritueel leraar. Het goede aan deze beweging is dat vaak de eerste bereidheid ontstaat om het eigen zelf, het ik-bouwwerk, minder belangrijk te maken. Wanneer men echter opzoek blijft naar iets buiten zichzelf, dan zal de zoektocht eeuwig duren, want daar gaat men ‘het’ niet vinden. Sterker nog…ergens bevestigd dit zoeken naar iets buiten onszelf de negatieve aanname dat je zelf ‘niet (goed) genoeg’ zou zijn. Mensen kunnen hier decennia lang in ‘vast’ blijven zitten, ergens ook omdat dit voor het systeem een hele comfortabele positie is. Het trillingsniveau wordt op deze manier op een acceptabel niveau gehouden; niet de hoge trilling van het Zijn, maar ook niet de hele lage trilling die kenmerkend is voor een sterk geïdentificeerd leven. Dit is eerder leven vanuit een compromis, dan volledig leven.

Wat betekend het nu om ‘grond te gaan vinden in jezelf’? Dit betekend dat de zoekende beweging niet langer op iets van buiten gericht is, maar dat je naar binnenkeert en daar gaat waarnemen wat er is. Naarmate je hier vertrouwd mee raakt zul je merken dat niets meer vervulling geeft dan stil te staan bij wat zich van binnen doet voelen. Er is dan niets anders (van buitenaf) meer nodig.

Hoe krijg je dit voor elkaar? Door je aandacht naar binnen te brengen, aanwezig te zijn bij wat daar is. Dit op een liefdevolle, maar niets ontziende manier. Ofwel, met compassie.

‘Aanwezig zijn bij wat er is’ is wat binnen de Zijnsorientatie ‘presentie’ wordt genoemd. Het middel hiertoe is ‘aandacht’. ‘Aandacht’ is als het ware een zoeklicht dat je ergens op kunt laten schijnen waardoor iets zichtbaar wordt, het in je bewustzijn komt. Aandacht kan heel ‘gefocust’ zijn, waardoor je je bewust wordt van iets heel specifieks. Zo kan je iets goed onderzoeken, tot in detail onder de loep nemen. Aandacht kan echter ook meer ‘panoramisch’ zijn, dan is de aandacht niet op iets specifieks gericht, maar is deze meer open en ruim. Je neemt dan meer het geheel waar waarin van alles verschijnt.

Meestal is het zo dat onze aandacht gericht is op de buitenwereld en dan vooral op zaken die ‘onze aandacht vragen’. Stap één is dus om meester te worden over je eigen aandacht, om te leren hoe deze te sturen, zodat het een instrument kan worden. Onder andere het Boeddhisme biedt hier tal van oefeningen. De eenvoudigste is misschien wel het volgen van je ademhaling. Je ademhaling biedt iets om je aandacht op te focussen, daarnaast is het zo dynamisch en vluchtig dat het je in contact brengt met de veranderlijkheid en vergankelijkheid van het leven.

Een goede ingang hier is ook om je aandacht te richten op je lichaam. Dit heeft automatisch al tot gevolg dat je aandacht minder in je hoofd zal zijn, bij gedenk en gepieker. Je raakt zo meer vertrouwd met het voelen van fysieke sensaties. Fysieke sensaties vinden altijd plaats in het hier en nu. In deze zin bieden zij een ankerpunt om in het moment aanwezig te kunnen zijn. Een heel eenvoudige oefening is het werken met de zin; ‘Er is een gevoel van…’. Deze zin maak je vervolgens af door te benoemen wat zich op dat moment van binnen laat voelen. Dit kan jeuk zijn aan je kleine teen, maar het kan ook een leeg gevoel zijn in je buik, of ergens een gevoel van spanning. Hiermee geef je erkenning aan wat er op dat moment in jou is, precies zoals het is.

Het Centrum voor Zijnsorientatie heeft ook de Innerlijke Massage Meditatie ontwikkeld. Hierbij ga je met je aandacht één voor één alle delen van je lichaam binnen. Zo ga je eerst met je aandacht je rechtervoet binnen en laat je verrassen door wat daar voelbaar wordt, dan ga je met je aandacht je rechter enkel binnen, je rechter onderbeen enzovoort. Je geeft sturing aan je aandacht en blijft toch zo open dat je je kunt laten verrassen door wat er in je lichaam voelbaar is.

Wanneer je je zo oefent in ‘aandachtig aanwezig zijn’ zal het steeds makkelijker worden om ergens je aandacht bij te houden. Ook bij het innerlijke onderzoek. Zo kan dit zich steeds meer verfijnen en verdiepen. Je kunt je gedachtewereld gaan onderzoeken en bijvoorbeeld de patronen die spelen tussen jou en je omgeving. Hierdoor kan er meer ruimte ontstaan binnen bepaalde patronen en ontstaan er meer openingen waarin de dynamiek van het leven voelbaar wordt. Dit is wel even wennen, moet ik zeggen. Wanneer ik nu in contact kom met de openheid en veranderlijkheid van het leven dan ervaar ik dit vaak heel fysiek. Ik heb geen idee of dit iets universeels is of dat dit alleen bij mij zich zo manifesteert. Het geeft mij soms het gevoel dat ik het bijna niet houdt, alsof ik uit elkaar dreig te knallen. Aan de ene kant heel prettig en vooral heel levendig, aan de andere kant soms een tikje beangstigend omdat het zo weinig houvast geeft en zo vol is van energie. Het zou goed kunnen dat dit het gevoel is dat Pema Chödrön in haar boek bedoelt wanneer zij schrijft over het in contact komen met de grondeloosheid van het bestaan. Zij schrijft dat dit een heel herkenbaar gevoel is, dat eigenlijk vrij makkelijk als sensatie is waar te nemen. Meestal benoemen wij dit gevoel als zijnde ‘irritatie’ of ‘angst’. Wanneer je dicht bij de sensatie zelf blijft dan is het, ik kan het niet anders omschrijven, een soort innerlijk schudden en beven. Het gevoel als wanneer je met een parachute op de rug uit een vliegtuig de diepte in springt. Adembenemend. Herken je dit uit eigen ervaren?

Toen ik hier meer mee in contact begon te komen heb ik dit niet meteen als prettig ervaren. In het begin kon ik deze sensaties niet plaatsen en werd ik overvallen door de ongecontroleerdheid en intensiteit ervan. Vanuit onze gewenning om onprettige dingen uit de weg te gaan vraagt het in eerste instantie wel iets om hier bij te blijven. De sleutel ligt, wat mij betreft, bij het stoppen met benoemen van deze sensaties als zijnde ‘angst’ (wat ik vaak deed) of te kiezen voor een positiever label. Ik heb ervaren dat de term ‘excitement’ heel goed gebruikt kan worden in de plaats van angst. Ik heb nog geen Nederlands woord gevonden dat dezelfde lading dekt. Het schijnt werkelijk zo te zijn dat bij wat wij noemen ‘angst’ en ‘excitement’ dezelfde stoffen vrij komen in het lichaam. Ze lijken dus één en het zelfde te zijn. Hoe we deze sensatie ervaren hangt dus af van hoe we het definiëren.

Naarmate ik deze sensaties meer toelaat, meer laat stromen, neemt de rol die ‘angst’ speelt in mijn leven verder af.

Als ik aanwezig kan blijven bij wat er (fysiek) voelbaar is in het moment, zonder dit te benoemen, is het volgende dat ik merk dat er een (glim)lach op mijn gezicht verschijnt. Alsof iets mij de boodschap wil geven dat ik op de goede weg ben. Ook hiervan weet ik niet of dit iets universeels is. Ik vond het in het begin wat onwennig dat er op de raarste momenten en op de raarste plekken opeens een grijns op mijn gezicht verscheen; loop je in je eentje door een warenhuis en merk je dat je kramp in je kaken krijgt van het lachen. Nu herken ik dit als teken dat ik ben waar ik wezen moet; in het moment, heel precies, daar bij wat er is. Hoe laat jou systeem je dit weten?

Het ontwikkelen van een liefdevolle houding ten opzichte van jezelf is in dit proces heel belangrijk. Door met aandacht aanwezig te zijn bij wat er is kom je steeds meer oog in oog te staan met de manieren waarop je jezelf voor de gek houdt en probeert te ontsnappen aan de onzekerheid van het bestaan. Bij vele van ons is er een sterke gewoonte om kritisch (soms zelfs tiranisch) te zijn ten opzichte van het eigen functioneren. Wanneer deze beweging zich continu in zou zetten bij het zelf-onderzoeken, dan zou dit heel afleidend en ondermijnend kunnen werken (tenzij je dit ook weer ziet, dan kan ook dit voer zijn voor het ontwikkelen van helderheid!). Dat is ook precies waar deze beweging toe dient; om te zorgen dat je niet in beweging komt, om je te houden waar je bent. Het ontwikkelen van een open en welkomende houding ten opzichte van wat zich aandient kan deze ondermijnende tendens doorbreken. De oefening die ik eerde beschreef en waarin je werkt met de zin ‘Er is een gevoel van…’ doet ook hier zijn werk. Je oefent hiermee namelijk om vanuit een open en niet oordelende houding te kijken naar wat er in jou is. Een andere oefening, die een wat explicieter beroep doet op jezelf hartelijk tegemoet te treden, is de zogenaamde ‘Welkomsoefening’. Bij de Welkomsoefening beweeg je je handen naar je hart toe en spreek je hardop uit dat je jezelf welkom heet. In mijn geval zou ik dus heel eenvoudig kunnen zeggen; ‘Welkom Kim’. Dit zou ik kunnen variëren door er bijvoorbeeld van te maken; ‘Welkom Kim, met alles wat er is’. Of ‘Welkom Kim, met al je gevoelens van angst en onzekerheid’ (of met iets anders dat zich op dat moment laat voelen). Tijdens het uitspreken van de woorden blijf je je heel bewust van wat er van binnen voelbaar is. Dit kunnen fysieke sensaties zijn, die je ook weer welkom kunt heten. Of er kan een bepaalde geraaktheid voelbaar worden of een gevoel van weerstand tegen de oefening. Ook die zou je op kunnen nemen in de oefening (‘Welkom Kim, met al je gevoelens van weerstand’).

Een ander krachtig instrument is de zogenaamde ‘Zelfwaarderings-mantra’. Hierbij spreek je de volgende zinnen uit; ‘Ik stel mij open voor de mogelijkheid van zelfrespect en zelfwaardering en voor de realisatie van het kostbare dat ik vertegenwoordig’. Wanneer ik me gevoelsmatig afstem op met name de woorden ‘zelfrespect’ en ‘zelfwaardering’, wordt voor mij heel goed voelbaar wat deze woorden op dat moment voor mij betekenen en hoe het ermee voorstaat. Zo ben ik gaan herkennen hoe het is om zelfrespect of zelfwaardering te voelen. Hierdoor krijgt het meer bestaansrecht. Er kan ook voelbaar worden hoezeer het op dat moment ontbreekt aan zelfrespect en zelfwaardering. Dit kan heel pijnlijk zijn. Maar ook hier erkenning aan geven is een gebaar van respect voor jezelf.

 

Mijn favoriete meditatie-instructie is hier ook op zijn plaats. De instructie komt van de Boeddhistische leraar Trungpa en gaat als volgt; breng tijdens het mediteren een kwart van je aandacht bij je ademhaling, een kwart van je aandacht bij het ontspannen van je lichaam, een kwart bij een vriendelijke houding ten opzichte van jezelf en een kwart stelt zich open voor dat wat zich maar aan wil dienen. Mijn ervaring is dat, wanneer ik deze punten één voor één na loop, aan het begin van de meditatie, maar ook als ik afgeleid ben, ik heel totaal en present aanwezig ben. Door in de meditatie vertrouwd te raken met deze presente houding kan deze ook steeds meer gerealiseerd worden in het dagelijkse leven. Door de dag heen probeer ik te herkennen wanneer ik heel erg ‘in mijn hoofd’ zit (wanneer ik mee ga in gedachten en verhalen, met name op de omgeving ben gericht), om op die momenten mijn aandacht te brengen naar deze innerlijke houding. Dit maakt dat ik me minder verlies in prikkels vanuit mijn omgeving. Dit brengt me bij mijn eigen grond.

 

Tot slot.

Dit is zo’n beetje waar ik nu sta. Het is een verhaal dat is ontsproten uit ‘mijn’ bewustzijn van dit moment. Gaandeweg het schrijven merkte ik al dat er verschuivingen plaats vonden in hoe ik naar dingen kijk. Meer dan een momentopname kan een verhaal als dit dus niet zijn.

 

Ik realiseer me dat ook het neerpennen van al het bovenstaande opnieuw een poging is om de openheid van het Zijn te kaderen en te doorgronden. Ik denk dat hier opzich niets mis mee is, zolang we alles maar naar waarde schatten. Een tafel mag best een ‘tafel’ genoemd worden omdat het dan mogelijk wordt om met elkaar over die tafel te praten. Er is dus niets mis met het maken van onderscheid en met benoemen. Dit maken van onderscheid hoeft echter niet te leiden tot afgescheidenheid. En zelfs wanneer we toch alleen maar afgescheidenheid ervaren is er geen man over boort. In wezen doet dit namelijk niets af aan de openheid en heelheid van het Zijn. Het Zijn is er, brengt alles voort en doordringt alles, of wij dit nu beseffen of niet.

 

En als toegift een gedicht…

gEDICHT kIM

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bronvermelding

De niet-herkende Boeddha, Hans Knibbe

Omarmde wereld, Pema Chödrön

Bentinho Massaro, oa de video ‘You can’t win from a belief, instead: Admit Defeat and be free!’ Volg deze link; http://youtu.be/ftD7ZYcWBmY.